CMETs22:R Patient
From Hl7book
Contents |
R_PatientNL (patiënt)
Functie
De CMET R_Patient vormt een standaardberichtelement voor het uitwisselen van administratieve patiëntgegevens. Deze worden vaak aangeduid als N.A.W. (Naam Adres Woonplaats) gegevens, hoewel die term niet de hele lading dekt. Ook geboortedatum, geslacht, telefoonnummers etc. maken bijvoorbeeld deel uit van R_Patient.
De CMET R_Patient komt (in één van de mogelijke varianten) voor in de meeste HL7 versie 3 berichten, doordat het de universele manier is om de patiënt (die tenslotte meestal centraal staat) te identificeren en/of te beschrijven binnen alle domeinen.
Het is belangrijk om op te merken dat een patiënt in de context van HL7 versie 3 altijd betrekking heeft op een persoon (of ander levend wezen) als ontvanger van zorg. In principe is dit een 'rol' die gespeeld wordt in de context van een bepaalde zorginstelling. Op die manier wordt er onderscheid gemaakt tussen de persoon (met vaste persoonsgegevens) en diens rol als patiënt, met patiëntgegevens die in principe kunnen wisselen per zorginstelling. In de praktijk worden deze gegevens meestal gezamenlijk verzonden.
De verschillende 'smaken' van de CMET worden als volgt gebruikt:
|
|
|
In de volgende secties wordt een beschrijving gegeven van R_Patient [universal], waarna van de andere varianten de verschillen met de [universal] variant worden beschreven.
Informatiemodel R_PatientNL [universal] (COCT_RM050000NL)
De CMET R_Patient [universal] bevat de volgende gegevensklassen:
| Patient | Patiëntgegevens (in de context van een zorginstelling) |
| CMET E_PersonNL [universal] | Persoonsgegevens (onafhankelijk van de zorginstelling) (in het NL model worden dieren als patiënt nog uitgesloten) |
| CMET E_Organization [identified] | Zorginstelling waarbij de persoon als patiënt bekend is (in het NL model wordt alleen het instellingsnummer gebruikt) |
Belangrijk kenmerk is dus dat een patiënt altijd een persoon is (dieren worden nog buiten beschouwing gelaten) en in de context van een bepaalde organisatie (potentieel) zorg ontvangt. Die organisatie zal meestal een zorginstelling zijn, waarbij de unieke identifier (id) van de patiënt zowel een lokaal als een landelijk nummer (BSN) kan zijn.
| Patient | Patiëntgegevens |
De klasse Patient heeft de volgende kenmerken:
| classCode | PAT (Patient) Een persoon in de rol van patiënt (in de context van een zorginstelling) |
| id | Patiëntidentificatie(s) |
| addr | Woon/verblijfadres(sen) |
| telecom | Communicatieaanduiding(en) |
| statusCode | Status van de patiëntregistratie |
| effectiveTime | Geldigheidsinterval |
| confidentialityCode | Vertrouwelijkheidaanduiding |
| veryImportantPersonCode | VIP aanduiding |
De klasse Patient heeft de volgende associaties:
| 1..1 patientPerson | Persoonsgegevens (onafhankelijk van de zorginstelling) |
| 0..1 providerOrganization | Zorginstelling waarbij de persoon als patiënt bekend is |
Voor een toelichting op deze associaties wordt verwezen naar de betreffende CMET's.<p>
| Patient.id | Patiëntidentificatie(s) | |
| SET<II> [1..*] | ||
De identificatie van een patiënt moet zodanig worden doorgegeven dat deze ondubbelzinnig is voor de ontvangende applicatie. Het datatype II (Instance Identifier) garandeert dit door naast de extension van de identifier (het feitelijke nummer) ook de root door te geven, die het betreffende identificatiesysteem (en dus de combinatie) uniek aanduidt.
In principe zullen meestal twee soorten patiëntidentificaties gebruikt worden:
- lokale nummers van de zorginstelling, meestal gegenereerd door het primaire informatiesysteem (het 'XIS') van de betreffende zorginstelling;
- het landelijke Burgerservicenummer, zoals deze elektronisch opvraagbaar is bij de Sectorale Berichten Voorziening voor de Zorg (SBV-Z) of via het LSP.
Hier onder wordt voor beide situaties beschreven hoe het element id gevuld zal worden.
Lokaal patiëntnummer
Dit is dus bijv. het nummer dat door het ZIS van een ziekenhuis, het HIS van een huisarts of het AIS van een apotheek is uitgegeven. Om mogelijk te maken dat elke id van een patiënt universeel uniek is, wordt in het datatype II gebruik gemaakt van een OID (object identifier) o.b.v. de zorginstelling waarbinnen het nummer is uitgegeven:
root = OID o.b.v. de betreffende zorginstelling (zie de voorbeelden hieronder)
extension = lokaal referentienummer van patiënt (uniek binnen deze zorginstelling)
De root wordt dan samengesteld door de zorginstelling te identificeren en op basis hiervan het patiëntidentificatiesysteem daarbinnen te benoemen. Zorginstellingen (en zorgverleners) worden in Nederland meestal aangeduid d.m.v. het AGB-Z nummer, hetgeen leidt tot de volgende opbouw van de root (afhankelijk van het instellingstype):
Binnen een ziekenhuis:
| OID-segment | betekenis |
|---|---|
| 2.16.840.1.113883.2.4 | HL7 Nederland |
| .6.1 | AGB-Z |
| .6010756 | AGB-Z nummer van het ziekenhuis waarbinnen het nummer is uitgedeeld (zonder de voorloopnul !) |
| .1 | Het ZIS binnen het betreffende ziekenhuis |
| .1 | Patiëntnrs. als identificatiesysteem binnen het ZIS |
Binnen een huisartsenpraktijk:
| OID-segment | betekenis |
|---|---|
| 2.16.840.1.113883.2.4 | HL7 Nederland |
| .6.1 | AGB-Z |
| .1042461 | AGB-Z nr. van de huisartsenpraktijk waarbinnen het nummer is uitgedeeld (zonder de voorloopnul !) |
| .1 | Het HIS binnen de betreffende huisartsenpraktijk |
| .1 | Patiëntnrs. als identificatiesysteem binnen het HIS |
Binnen een openbare apotheek:
| OID-segment | betekenis |
|---|---|
| 2.16.840.1.113883.2.4 | HL7 Nederland |
| .6.1 | AGB-Z |
| .2004321 | AGB-Z nr. van de openbare apotheek waarbinnen het nummer is uitgedeeld (zonder de voorloopnul !) |
| .1 | Het AIS binnen de betreffende openbare apotheek |
| .1 | Patiëntnrs. als identificatiesysteem binnen het AIS |
In feite bestaan er geen regels voor de opbouw van root OID's (de segmenten zijn betekenisloos), zolang maar de garantie bestaat dat de extension er een unieke context mee verkrijgt. Bovenstaande methode wordt echter sterk geadviseerd bij het doorgeven van lokale patiëntnummers, om te zorgen voor uniforme toepassing binnen Nederland.
Burger Service Nummer
In alle berichten die worden uitgewisseld via de landelijke infrastructuur (AORTA), zal in Nederland gebruik moeten worden gemaakt van het Burger Service Nummer als primaire patiëntidentificatie. Voor het systeem van Burger Service Nummers is een vaste OID (object identifier) vastgelegd, zodat patiëntnummers altijd als BSN herkenbaar zijn.
De OID voor Burger Service Nummers is: 2.16.840.1.113883.2.4.6.3'. Aan deze root van de instance identifier is een patiëntnummer dus altijd herkenbaar als BSN.
XML-voorbeeld 1
Een patiënt is binnen het ziekenhuis met AGB-Z nummer 06010756 bekend onder het intern gegenereerde nummer 120267BA501. De Patient.id wordt als volgt doorgegeven:
<id extension="120267BA501" root="2.16.840.1.113883.2.4.6.1.6010756.1.1"/>
Noot 1: Merk op dat de extension niet per se numeriek hoeft te zijn, maar ook letters mag bevatten. De extension moet worden weergegeven exact zoals in het bronsysteem.
Noot 2: Merk op dat de AGB-Z nummerreeks voor ziekenhuizen altijd begint met '06'. De voorloopnul vervalt altijd binnen de OID van de root (algemene regel bij OID-gebruik).
XML-voorbeeld 2
Een patiënt is binnen de huisartsenpraktijk met AGB-Z nummer 01042461 bekend onder het intern gegenereerde nummer 018793. De Patient.id wordt als volgt doorgegeven:
<id extension="018793" root="2.16.840.1.113883.2.4.6.1.1042461.1.1"/>
Noot 1: Merk op dat eventuele voorloopnullen in de extension mogen, en zelfs moeten, blijven staan, indien deze binnen het bronsysteem ook als zodanig gebruikt worden.
XML-voorbeeld 3
Een patiënt heeft Burger Service Nummer 012345672.
<id extension="012345672" root="2.16.840.1.113883.2.4.6.3"/>
XML-voorbeeld 4
Een patiënt heeft Burger Service Nummer 012345672, maar wordt binnen een ziekenhuis ook nog aangeduid met het intern (binnen het ZIS) gegenereerde nummer 0006756420.
<id extension="012345672" root="2.16.840.1.113883.2.4.6.3"/> <id extension="0006756420" root="2.16.840.1.113883.2.4.6.1.6010756.1.1"/>
Noot 1: Merk op dat de twee herhalingen van het id element gewoon achter elkaar worden weergegeven. Het BSN is voor de ontvanger herkenbaar o.b.v. de root OID.
| Patient.addr | Woon/verblijfadres(sen) | |
| BAG<AD> [0..*] | ||
Het element <Patient><addr> is aanwezig indien bekend in R_Patient en bevat één of meer actuele adressen van de persoon in diens rol als patiënt. Dit gaat vrijwel altijd om een (t)huisadres, maar kan ook een vakantiewoning of ander tijdelijk adres betreffen.
Het element is required, hetgeen betekent dat alle applicaties die de CMET gebruiken dit element moeten ondersteunen. Er moet dus een waarde gestuurd kunnen worden als deze bekend is. Een ontvangend systeem moet in staat zijn de waarden op te slaan.
Het gaat dus om de woon/verblijfadressen van de patiënt, zoals door de zorginstelling gehanteerd binnen de eigen administratie. Zie verder de beschrijving bij het datatype 'AD'. Als er slechts één (woon)adres van de patiënt bekend is, hetgeen in vrijwel alle informatiesystemen zo is, dan wordt dit meestal aangeduid met 'HP' (Home Primary).
XML-voorbeeld
Een patiënt staat geregistreerd met (woon)adres Dorpsstraat 54, 1024 BB te Purmerend.
<addr use="HP"> <streetName>Dorpsstraat</streetName> <houseNumber>54</houseNumber> <postalCode>1024 BB</postalCode> <city>Purmerend</city> </addr>
| Patient.telecom | Communicatieaanduiding(en) | |
| BAG<TEL> [0..*] | ||
Het element <Patient><telecom> is aanwezig indien bekend in R_Patient en bevat één of meer actuele telefoonnummers of andere communicatieaanduidingen die gebruikt kunnen worden om de patiënt te bereiken. Hieronder valt bijv. telefoonnummer thuis, telefoonnummer op het werk, mobiel nummer of fax, maar ook een e-mailadres!
Het element is required, hetgeen betekent dat alle applicaties die de CMET gebruiken dit element moeten ondersteunen. Er moet dus een waarde gestuurd kunnen worden als deze bekend is. Een ontvangend systeem moet in staat zijn de waarden op te slaan, waarbij het echter mogelijk is dat niet alle communicatieaanduidingen ondersteund worden (zo zal niet in elk systeem specifiek ruimte zijn om een e-mailadres op te slaan).
Het gaat dus om de communicatieaanduidingen van de patiënt, zoals die door de zorginstelling worden gehanteerd binnen de eigen administratie. Zie verder de beschrijving bij het datatype 'TEL'. De meest voorkomende telefoonnummertypen zijn 'HP' (telefoonnummer thuis), 'MC' (mobiel nummer) en 'WP' (telefoonnummer werk).
XML-voorbeeld
Van een patiënt worden diens telefoonnummer thuis, een mobiel nummer en een e-mailadres doorgegeven. Dit levert drie herhalingen op van het element <Patient><telecom>:
<telecom use="HP" value="tel:0299-955555" />
<telecom use="MC" value="tel:06-98686555" />
<telecom value="mailto:j.jansen@speednet.nl" />
| Patient.statusCode | Status van de patiëntregistratie | |
| CS [1..1] <= RoleStatus | ||
Het element <Patient><statusCode> is verplicht gevuld, maar dit is feitelijk alleen het geval omdat het in de internationale specificaties ook aanwezig moet zijn. Normaal gesproken zal het altijd de waarde active hebben, ten teken dat het een patiëntregistratie betreft die actief is binnen de administratie. Als de patiëntregistratie 'vervallen' is (d.w.z. niet meer gebruikt mag worden) dan wordt als statusCode terminated meegegeven.
| <p>Als binnen de patiëntregistratie van een zorginstelling blijkt dat dezelfde persoon meerdere keren als patiënt is ingeschreven, dan is het gebruikelijk dat deze nummers aan elkaar 'gekoppeld' (of 'gelijkgesteld') worden. Daarbij wordt één van de nummers prevalent en de andere nummers vervallen.
Let op: vervallen nummers kunnen niet in dezelfde Patient-klasse worden meegegeven als het prevalente nummer, omdat het element De juiste manier om vervallen patiëntregistraties door te geven is d.m.v. de klasse OtherIDs binnen de E_Person CMET (zie elders in dit document). Deze klasse wordt echter vooralsnog niet toegepast in de Nederlandse situatie. |
XML-voorbeeld
Een actieve patiëntregistratie.
<statusCode code="active" />
| Patient.effectiveTime | Geldigheidsinterval | |
| IVL<TS> [0..1] | ||
Vooralsnog niet gebruiken in de Nederlandse situatie.
| Patient.confidentialityCode | Vertrouwelijkheidaanduiding | |
| (CE CNE [0..1] <= Confidentiality | ||
Dit optionele element heeft betrekking op het vertrouwelijkheidniveau van de betreffende patiëntgegevens. Vooralsnog wordt daarbij slechts gebruik gemaakt van drie codes uit het code system Confidentiality (2.16.840.1.113883.5.25). Zie onderstaande tabel:
| Code | Naam | Definitie |
|---|---|---|
| N | normal | Normale vertrouwelijkheidregels (in de context van de gezondheidszorg) zijn van toepassing. Dat wil zeggen dat alleen geautoriseerde personen met een legitieme medische of administratieve reden toegang mogen hebben. |
| R | restricted | Beperkte toegang, bijv. alleen voor zorgverleners (of daardoor gemandateerde medewerkers) met een actuele behandelrelatie met de patiënt. |
| V | very restricted | Zeer beperkte toegang, zoals bepaald door de patiënt zelf of diens wettelijke vertegenwoordiger. |
De standaardwaarde is 'N', dus als het element niet wordt meegegeven is de toegang 'normaal'.
XML-voorbeeld
De toegang tot de patiëntgegevens is beperkt.
<confidentialityCode codeSystem="2.16.840.1.113883.5.25" code="R" />
| Patient.veryImportantPersonCode | VIP aanduiding | |
| (CE CNE [0..1] <= PatientImportance | ||
Dit optionele element heeft betrekking op de aard van de speciale status die de patiënt voor de zorginstelling heeft. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het binnen HL7 gedefinieerde codesysteem PatientImportance (2.16.840.1.113883.5.1075). Zie tabel:
| Conceptcode | Naam | Definitie |
|---|---|---|
| BM | Board Member | Lid van de raad van bestuur van de zorginstelling. |
| DFM | Physician Family Member | Familielied van een lid van de medische staf. |
| DR | Staff Physician | Lid van de medische staf. |
| FD | Financial Donor | Financiële donor van de zorginstelling. |
| FOR | Foreign Dignitary | Buitenlandse hoogwaardigheidsbekleder. |
| GOVT | Government Dignitary | Hoogwaardigheidsbekleder. |
| SFM | Staff Family Member | Familielied van een medewerker. |
| STF | Staff Member | Medewerker van de zorginstelling. |
| VIP | Very Important Person | Andere VIP. |
XML-voorbeeld
De patiënt is een lid van de medische staf.
<veryImportantPersonCode codeSystem="2.16.840.1.113883.5.1075" code="DR" />
Informatiemodel R_PatientNL [identified] (COCT_RM050001NL)
De [identified] variant van de CMET R_Patient is een restrictie op de [universal] variant, waarin alleen de unieke patiëntidentificatie(s) zijn opgenomen in het informatiemodel. Dit wordt alleen gebruik om een bij de ontvanger reeds bekende patiënt te identificeren, maar niet om wijzigingen door te geven. Vandaar ook het ontbreken van de statusCode.
De CMET R_Patient [identified] bevat de volgende gegevensklassen:
| Patient | Patiëntidentificatie |
De klasse Patient heeft de volgende kenmerken:
| classCode | PAT (Patient) Een persoon in de rol van patiënt (in de context van een zorginstelling) |
| id | Patiëntidentificatie(s) |
| Patient.id | Patiëntidentificatie(s) | |
| SET<II> [1..*] | ||
Zie Patient.id bij R_Patient [universal].


